U hebt het oor van de Senaat |
ELOQUENTIE IN HET PARLEMENT
In 1974 werd ik voor de eerste maal minister van een belangrijk departement: Nationale Opvoeding. Met mijn 36 jaar was ik veruit de jongste van de toenmalige eerste regering van Leo Tindemans. Toen ik in maart 1968 voor de eerste maal mijn eed als kamerlid aflegde, had ik reeds enkele duizenden toespraken op mijn conto staan. Daar kwamen er, na 42 jaar parlementair leven, nog vele duizenden bij. Als minister, want ik was vier jaar te jong om in de Senaat te kunnen zetelen, mocht ik de tribune van de Hoge Vergadering bestijgen. In het indrukwekkend verguld en beschilderd decorum van het halfrond, mijn stijl getrouw, gaf ik een gloedvol betoog over het vervroegen van het 'scolariseren' - zwaar woord voor wat het in feite werd - van heel jonge kinderen.
Tot mijn grote verrassing liep de Senaat vol en werd er niet getelefoneerd noch aan krantenlezerij gedaan. Ik was dat in de Kamer niet gewoon, werd niet onderbroken en had de indruk - volslagen nieuw voor het onstuimig kamerlid dat ik was - dat men luisterde. Het applaus was zeer hartig en Pierre Harmel, gewezen premier, riep mij bij zich aan zijn senaatsvoorzitterzetel. Met grote minzaamheid vertelde hij mij in het Frans: 'Mon jeune ami, vous avez l'oreille du Sénat.'
Mogelijks was men in die tijd in de Senaat betere redenaars gewoon en wensten de ietwat oudere, hoofdzakelijk mannelijke senatoren te zien hoe ik mijn eerste zware begrotingstest doorstond. Honderden debatten later blijf ik overtuigd dat hoe retro een goede speech vandaag in de parlementaire halfronden ook moge klinken, het woord nog altijd vlees is geworden.
Wat zijn dan de goede kenmerken van een parlementaire toespraak? Vandaag is de stijl anders dan vroeger en die van morgen zal uiteraard niet meer lijken op die van vandaag.
Eerst en vooral moet men het onderwerp dat men aanraakt meester zijn, erdoor gevoed worden, erin geloven en het met de gloed van de overtuiging uitdragen. Dat mag met humor, soms met zinnen met dubbele bodem en een tikje draaglijk cynisme tussen de regels door. De soms uitgelokte ad hominem kan men terugkaatsen. Onderbrekingen door anderen drijven het ritme, de toon en de overredingskunst de hoogte in.
Er is iets theatraals aan de redenaar - aan de Louis Tobbacks, de Guy Verhofstadts, de Gerolf Annemansen, Patrick De Waels, Jean Gols en de zovele andere parlementairen die ik heb moeten kennen. Zij beheersten de taal die zij gebruikten, maar lasten meer dan eens grote delen in het Frans in, net zoals wat men zo onhebbelijk noemt het 'switchen' van de ene landstaal naar de andere, inclusief hier en daar een Latijns citaat, vol uitroeptekens.De keuze van het woord, gewoonlijk geïmproviseerd op basis van een licht uitgetekend stramien, met indrukwekkende bijlagen, klaar voor het moordend citaat, de uitgelokte stilte en de ingehouden adem, op zoek naar de durf van de onderbreker die men dan, met de zekerheid van de dossierkennis, woordelijk neersabelt.De opeenstapeling van goddelijke momenten laten de spreker opbloeien, die van tijd tot tijd het hoofd achteruit laat hellen, de ogen soms naar een ingebeelde hemel gericht, met een gebarentaal die rustig en uitgestrekt een fractie van een seconde het gepaste woord voorafgaat, of beter nog: het zelfs aankondigt.
Niet alleen in het parlement, ook in lijkredes voor vrienden, waar de emotie de spreker kwelt, tot tranen toe, waar de stem stokt en de rilling van de emoties het kerk- of funerariumpubliek bijna op het puntje van de stoel doet schuiven. De guitigheid en de humor van de soms gedurfde woordspelingen op de latere banketavonden, waar goede spijs en wijn een handje helpen, terwijl de redenaar zich laat gaan.
De jezuïeten hadden mij in het voorlaatste jaar van de humaniora de eerste knepen van het sprekersvak geleerd. Waarom hebben er vandaag zoveel met vorming en kennis gezegende jonge politici schroom om de kunst van het woord, als een trapeze van de geest, te beoefenen?
Met een nieuwe reeks begaafde sprekers klappen er wellicht enkele van de bijna exotische laptops dicht en wordt het luisteren op de parlementsbanken, en misschien bij de aanwezige media, opnieuw een zo grote gave als het spreken. |
|
12 january 2010 |
Source : "De Standaard"
|
|
|
|
|
|
In the picture |
|
|
|
|
|
|